Autoweg vs autosnelweg: het verschil in regels, borden en snelheid
Een autoweg en een autosnelweg lijken op elkaar. Ze zijn allebei bedoeld voor snel gemotoriseerd verkeer, hebben allebei een blauw bord en je mag er allebei niet met de fiets op. Toch verschillen ze in snelheid, inrichting en in wie er mag rijden. Het CBR stelt hier graag strikvragen over.
Kort antwoord: op een autoweg (bord G3) is de maximumsnelheid 100 km/u en mogen alleen motorvoertuigen komen die minimaal 50 km/u kunnen en mogen rijden. Op een autosnelweg (bord G1) is de wettelijke maximumsnelheid 130 km/u, geldt overdag op de meeste trajecten 100 km/u en is de ondergrens 60 km/u.
Hoe herken je een autosnelweg?
Een autosnelweg begint bij het blauwe bord met een wit symbool van een brug over een weg (bord G1) en eindigt bij hetzelfde bord met een rode streep erdoor (bord G2). Kenmerken van een autosnelweg:
- gescheiden rijbanen, dus geen tegenliggers op dezelfde rijbaan;
- ongelijkvloerse kruisingen, dus geen kruispunten of verkeerslichten op de weg zelf;
- meestal een doorlopende vluchtstrook;
- in- en uitvoegstroken om de weg op en af te gaan.
Hoe herken je een autoweg?
Een autoweg begint bij het blauwe bord met een witte auto (bord G3) en eindigt bij hetzelfde bord met een rode streep (bord G4). Een autoweg is minder streng ingericht:
- soms zonder gescheiden rijbanen, dus tegenliggers aan de andere kant van de middenstreep;
- soms gelijkvloerse kruisingen, rotondes of zelfs verkeerslichten;
- vaak geen vluchtstrook, maar vluchthavens: korte inhammen om bij pech te stoppen;
- vaak korte in- en uitvoegstroken.
Op N-wegen zie je vaak dubbele middenstrepen met een groene vulling. Die horen bij wegen waar 100 km/u geldt. Meer daarover lees je bij de groene streep op de weg.
Maximumsnelheid
- Autoweg: 100 km/u, de hele dag, tenzij een bord iets anders aangeeft.
- Autosnelweg: de wettelijke maximumsnelheid is 130 km/u. Op de meeste trajecten geldt overdag (van 6 tot 19 uur) 100 km/u, aangegeven met borden. ’s Avonds en ’s nachts kan een hogere snelheid gelden, zoals 120 of 130 km/u, afhankelijk van de borden.
Let bij examenvragen goed op wat er gevraagd wordt. Gaat het om de wettelijke maximumsnelheid op de autosnelweg, dan is het antwoord 130 km/u. Gaat het om een foto met een bord, dan geldt het bord. Een matrixbord boven de weg met een snelheid in een rode rand is ook verplichtend.
Wie mag er rijden?
Dit is een klassiek examenonderwerp. Het RVV 1990 stelt een minimum aan de snelheid die een voertuig kan én mag rijden:
- Autosnelweg: alleen motorvoertuigen die minimaal 60 km/u kunnen en mogen rijden.
- Autoweg: alleen motorvoertuigen die minimaal 50 km/u kunnen en mogen rijden.
Beide voorwaarden gelden tegelijk. Een brommobiel die technisch sneller kan, mag wettelijk maar 45 km/u. Hij mag dus niet op de autoweg of de autosnelweg. Fietsers, bromfietsers, voetgangers en landbouwvoertuigen zijn er ook niet toegestaan.
Voorbeeld
Een motorrijder heeft motorpech, waardoor de motor niet sneller kan dan 40 km/u. Mag hij over de autoweg naar huis rijden? Nee. Hij mag wettelijk wel harder, maar kan het op dat moment niet. Aan de voorwaarde ‘kunnen en mogen’ wordt dan niet voldaan.
Wat mag niet op beide wegen?
- Keren en achteruitrijden zijn verboden.
- Stilstaan en parkeren mag alleen in noodgevallen, op de vluchtstrook of in een vluchthaven.
- Over de middenberm of via een onderbroken verbinding keren is verboden.
- Rechts inhalen is in principe niet toegestaan. Alleen bij langzaam rijdende files mag je rechts sneller rijden dan het verkeer links.
Op- en afrijden
Op beide wegen kom je via een invoegstrook. Pas je snelheid op die strook aan het verkeer op de doorgaande rijbaan aan en voeg in op een plek waar ruimte is. Het verkeer op de doorgaande rijbaan heeft voorrang. Uitgebreide tips lees je bij invoegen op de snelweg. Bij een autoweg met korte invoegstroken moet je extra goed kijken, omdat je minder ruimte hebt om snelheid te maken.
Veelgemaakte fouten
- De borden G1 en G3 door elkaar halen — brugsymbool is autosnelweg, auto is autoweg.
- Denken dat de autoweg ook 130 km/u toestaat — op een autoweg is 100 km/u het maximum.
- Alleen naar de technische snelheid kijken — het voertuig moet de minimumsnelheid kunnen én mogen rijden.
- Op een autoweg een vluchtstrook verwachten — vaak zijn er alleen vluchthavens.
- Tegenliggers op een autoweg vergeten — niet elke autoweg heeft gescheiden rijbanen.
Leertip
Onthoud 50 en 100 voor de autoweg, 60 en 130 voor de autosnelweg. Het eerste getal is de ondergrens voor voertuigen, het tweede de wettelijke maximumsnelheid.
Kort onthouden
Autosnelweg: gescheiden rijbanen, geen kruispunten, wettelijk 130 km/u en minimaal 60. Autoweg: minder streng ingericht, maximaal 100 km/u en minimaal 50.
Oefenen
Lees ook over voorsorteren en het overzicht van verkeersborden en hun betekenis. Test daarna je kennis via theorievragen of ga direct naar auto theorie oefenen.
Veelgestelde vragen over de autoweg en autosnelweg
Hoe hard mag je op een autoweg?
Maximaal 100 km/u, tenzij een bord een lagere snelheid aangeeft.
Wat is de maximumsnelheid op de autosnelweg?
Wettelijk 130 km/u. Op de meeste trajecten geldt overdag van 6 tot 19 uur 100 km/u, zoals aangegeven op de borden.
Welke voertuigen mogen op de autoweg?
Alleen motorvoertuigen die minimaal 50 km/u kunnen en mogen rijden.
Welke voertuigen mogen op de autosnelweg?
Alleen motorvoertuigen die minimaal 60 km/u kunnen en mogen rijden.
Heeft een autoweg een vluchtstrook?
Vaak niet. Op autowegen zijn meestal vluchthavens, korte inhammen waar je bij pech kunt stoppen.
Mag een brommobiel op de autoweg?
Nee. Een brommobiel mag wettelijk maar 45 km/u rijden en voldoet dus niet aan de ondergrens van 50 km/u.
Klaar om verder te oefenen?
Het verschil tussen autoweg en autosnelweg zit in een paar getallen en borden. Oefen vragen waarin je eerst het bord herkent en daarna de regel toepast, dan trap je niet in de strikvragen.
Start gratis met theorie oefenen
Laatst bijgewerkt: 23 september 2026. Gecontroleerd aan de hand van artikel 1, 21, 42 en 43 van het RVV 1990. Geschreven door de redactie van Theorie Examen Oefenen.