Autoverlichting: dimlicht, grootlicht, stadslicht en alarmlichten uitgelegd
Een auto heeft meer lampen dan de meeste mensen kunnen opnoemen. Welke moet je wanneer aanzetten? Mag grootlicht als er niemand is? En wanneer gebruik je je alarmlichten? Verlichting is een onderdeel dat op het theorie-examen steeds terugkomt, vaak in combinatie met zicht, weer en stilstaan langs de weg.
Kort antwoord: dimlicht voer je ’s nachts en overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd. Grootlicht mag ’s nachts in plaats van dimlicht, maar niet als je een andere weggebruiker tegenkomt of kort achter een ander voertuig rijdt. Alarmlichten gebruik je alleen om anderen te waarschuwen voor gevaar.
Dimlicht
Dimlicht is je gewone koplamp voor in het donker. Volgens artikel 32 van het RVV 1990 voer je dimlicht:
- bij nacht, dus tussen zonsondergang en zonsopgang;
- overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd, bijvoorbeeld door zware regen, mist of sneeuw.
Samen met dimlicht branden altijd je achterlichten en de verlichting van je achterste kentekenplaat. Bij de meeste moderne auto’s gaat dit automatisch, maar controleer het wel. De automatische lichtschakelaar reageert niet altijd op mist of regen.
Grootlicht
Grootlicht schijnt veel verder dan dimlicht en is handig op donkere wegen zonder verlichting. Het mag ’s nachts in plaats van dimlicht, maar niet:
- overdag;
- als je een andere weggebruiker tegenkomt, ook een fietser of voetganger;
- als je op korte afstand achter een ander voertuig rijdt.
Schakel dus op tijd terug naar dimlicht als er een tegenligger aankomt of als je iemand inhaalt en achter hem rijdt. Een verblinde bestuurder ziet een paar seconden bijna niets. Of je grootlicht aanstaat, zie je aan het blauwe lampje op je dashboard. Wat de andere symbolen betekenen, lees je bij dashboard lampjes.
Dagrijverlichting
Veel auto’s hebben dagrijverlichting die automatisch aangaat. Die is bedoeld om overdag gezien te worden. Dagrijverlichting is géén vervanging van dimlicht: bij veel auto’s branden de achterlichten niet mee. Wordt het zicht slecht of wordt het donker, dan zet je dimlicht aan.
Mistlicht
Bij mist, sneeuwval of regen die het zicht ernstig belemmert, mag je mistlicht aan de voorkant gebruiken. Het mistachterlicht mag alleen bij mist of sneeuwval als het zicht minder dan 50 meter is. Alle regels hierover vind je bij mistlampen.
Stadslicht en parkeerlicht
Stadslicht is het zwakke licht vooraan. Sta je ’s nachts of bij slecht zicht stil buiten de bebouwde kom op de rijbaan, of op een parkeerstrook of vluchtstrook langs een autosnelweg of autoweg, dan voer je stadslicht en achterlicht. Zo ben je zichtbaar voor ander verkeer.
Alarmlichten
Met de alarmlichten knipperen alle richtingaanwijzers tegelijk. Je gebruikt ze om anderen te waarschuwen voor gevaar:
- als je met pech stilstaat op een plek waar je een gevaar voor anderen vormt;
- om achteropkomend verkeer op de snelweg te waarschuwen voor een plotselinge file.
Alarmlichten zijn niet bedoeld om “even” dubbel te parkeren of op een plek te stoppen waar dat niet mag. Staat je auto met pech langs de weg, denk dan ook aan de gevarendriehoek.
Knipperen met je koplampen
Lichtsignalen en geluidssignalen mag je alleen geven om dreigend gevaar af te wenden. Met je koplampen knipperen om iemand te bedanken of om iemand van de linkerbaan te jagen, is volgens de regels dus niet de bedoeling.
Voorbeeld
Je rijdt ’s nachts op een onverlichte provinciale weg met grootlicht aan. In de verte zie je een fietser die jou tegemoet komt. Wat doe je? Je schakelt naar dimlicht. Grootlicht mag niet bij het tegenkomen van een andere weggebruiker, en een fietser is ook een weggebruiker.
Veelgemaakte fouten
- Vertrouwen op dagrijverlichting bij slecht zicht — dan zijn je achterlichten vaak uit.
- Grootlicht laten branden voor een fietser — ook dan schakel je terug.
- Mistachterlicht bij regen — dat mag alleen bij mist of sneeuw en zicht onder 50 meter.
- Alarmlichten gebruiken als parkeervergunning — ze waarschuwen voor gevaar, meer niet.
Leertip
Stel jezelf bij elke verlichtingsvraag twee vragen: wil ik zien, of wil ik gezien worden? En verblind ik iemand? Met die twee vragen kom je bijna altijd bij het goede antwoord.
Kort onthouden
Dimlicht bij nacht en slecht zicht, grootlicht alleen zonder tegenliggers of voorligger, alarmlichten alleen bij gevaar.
Oefenen
Oefen verlichting samen met zicht en weer via theorievragen of ga direct naar auto theorie oefenen.
Veelgestelde vragen over autoverlichting
Wanneer moet je dimlicht aan hebben?
Bij nacht en overdag als het zicht ernstig wordt belemmerd, bijvoorbeeld door mist, zware regen of sneeuw.
Wanneer mag je geen grootlicht gebruiken?
Overdag, bij het tegenkomen van een andere weggebruiker en als je op korte afstand achter een ander voertuig rijdt.
Is dagrijverlichting genoeg in het donker?
Nee. Dagrijverlichting vervangt geen dimlicht en vaak branden de achterlichten niet mee.
Wanneer gebruik je alarmlichten?
Om anderen te waarschuwen voor gevaar, bijvoorbeeld bij pech op een gevaarlijke plek of bij een plotselinge file op de snelweg.
Wanneer mag het mistachterlicht aan?
Alleen bij mist of sneeuwval als het zicht minder dan 50 meter is.
Mag je met je koplampen knipperen?
Alleen om dreigend gevaar af te wenden. Niet om te bedanken of iemand opzij te laten gaan.
Klaar om verder te oefenen?
Verlichting lijkt een klein onderwerp, maar komt terug in veel situatievragen over weer en zicht. Oefen het tot je zonder aarzelen het juiste licht kiest.
Start gratis met theorie oefenen
Laatst bijgewerkt: 23 september 2026. Gecontroleerd aan de hand van het RVV 1990 (artikelen 28, 32, 34, 38 en 41). Geschreven door de redactie van Theorie Examen Oefenen.