Verkeerslicht: wat betekenen rood, geel, groen en geel knipperlicht?

Een verkeerslicht lijkt het simpelste onderdeel van de theorie: rood is stoppen, groen is rijden. Toch gaat het op het examen vaak mis. Mag je bij geel nog door? Wat betekent een geel knipperlicht? En heb je bij groen altijd voorrang? In dit artikel lees je hoe het precies zit.

Kort antwoord: bij rood moet je stoppen, bij geel moet je stoppen als dat nog veilig kan, en bij groen mag je doorrijden als het kruispunt vrij is. Een geel knipperlicht betekent dat het verkeerslicht buiten werking is: dan gelden de borden en de gewone voorrangsregels.

De betekenis van de kleuren

Rood licht

Bij rood moet je stoppen voor de stopstreep. Is er geen stopstreep, dan stop je voor het verkeerslicht. Je blijft staan tot het licht op groen springt. Rood licht negeren is een van de gevaarlijkste overtredingen in het verkeer.

Geel licht

Geel betekent: stoppen. Alleen als je zo dicht bij het licht bent dat je niet meer veilig kunt stoppen, mag je doorrijden. Geel is dus geen teken om nog even gas te geven. Als je al ver van tevoren ziet dat het licht op geel springt, rem je rustig af.

Groen licht

Groen betekent dat je mag doorrijden, maar alleen als het kruispunt vrij is en je niet midden op het kruispunt stil komt te staan. Staat er file na het kruispunt, dan wacht je vóór de stopstreep, ook bij groen.

Geel knipperlicht

Een geel knipperend licht betekent dat de verkeerslichten niet in werking zijn, bijvoorbeeld ’s nachts of bij een storing. Het knipperlicht zegt: let op. Je moet dan zelf bepalen wie voorrang heeft. Staan er voorrangsborden of haaientanden, dan volg je die. Zijn die er niet, dan geldt de gewone regel dat verkeer van rechts voorgaat. Zie ook de voorrangsborden.

Voorbeeld

Het is laat in de avond en de verkeerslichten op een kruispunt knipperen geel. Voor jou staan haaientanden. Van links komt een auto. Wie gaat voor? De auto van links. Het licht is uit, dus gelden de haaientanden, en die zeggen dat jij voorrang moet verlenen.

Verkeerslichten met pijlen

Sommige verkeerslichten tonen een pijl. Zo’n licht geldt alleen voor de richting van de pijl. Een groene pijl naar links betekent dat verkeer dat linksaf wil mag rijden. Een rode pijl naar rechts betekent dat je niet rechtsaf mag, ook al staat het licht voor rechtdoor op groen. Kijk daarom goed welk licht bij jouw rijstrook hoort, zeker als je al hebt voorgesorteerd.

Groen betekent niet altijd voorrang

Ook bij groen kun je voorrang moeten verlenen. Sla je rechtsaf of linksaf, dan laat je verkeer dat op dezelfde weg rechtdoor gaat voor, zoals fietsers naast je en tegemoetkomend verkeer. Voetgangers die tegelijk groen hebben en oversteken waar jij in wilt rijden, gaan ook voor. Dit zie je vaak terug in examenvragen. Meer daarover lees je bij voetgangers voorrang.

Verkeerslicht en rangorde

Een werkend verkeerslicht gaat voor verkeersborden en de gewone voorrangsregels. Alleen een verkeersregelaar of politieagent gaat boven het verkeerslicht. Geeft een regelaar een teken dat afwijkt van het licht, dan volg je de regelaar. Zie de tekens van een verkeersregelaar en het overzicht van de voorrangsregels.

Lichten die niet voor jou gelden

Bij sommige kruispunten staan aparte lichten voor bussen en trams, met witte strepen of punten in plaats van kleuren. Die gelden niet voor auto’s. Ook fietslichten, met een fietssymbool, gelden alleen voor fietsers. Kijk dus altijd naar het licht dat voor jouw rijstrook bedoeld is. Bij een spoorwegovergang gelden weer andere regels voor de rode knipperlichten, die je leest bij de spoorwegovergang.

Veelgemaakte fouten

  • Bij geel nog even doorrijden — geel betekent stoppen, tenzij dat niet meer veilig kan.
  • Bij groen het kruispunt oprijden terwijl er file staat — blokkeer nooit het kruispunt.
  • Bij groen denken dat je altijd voorgaat — bij afslaan laat je rechtdoorgaand verkeer en voetgangers voor.
  • Bij geel knipperlicht rustig doorrijden — dan gelden de borden en rechts gaat voor.
  • Naar het verkeerde licht kijken — let op pijlen en lichten voor bus, tram of fiets.

Leertip

Vraag jezelf bij elk verkeerslicht af: werkt het, geldt het voor mij en welke richting ga ik op? Met die drie vragen voorkom je de meeste fouten.

Kort onthouden

Rood: stoppen. Geel: stoppen als het nog veilig kan. Groen: rijden als het kruispunt vrij is. Geel knipperend: borden en gewone regels gelden.

Oefenen

Test je kennis via theorievragen of ga direct naar auto theorie oefenen.

Start hier gratis met theorie oefenen

Veelgestelde vragen over verkeerslichten

Alleen als je niet meer veilig kunt stoppen. Anders moet je stoppen.

Dat het verkeerslicht buiten werking is. Dan gelden de voorrangsborden en haaientanden, en anders de regel dat verkeer van rechts voorgaat.

Nee. Bij afslaan laat je rechtdoorgaand verkeer en overstekende voetgangers voor.

Nee. Je mag het kruispunt pas oprijden als je er ook weer af kunt.

Dat het licht alleen geldt voor verkeer dat die richting op gaat.

Ja. Aanwijzingen van een verkeersregelaar of de politie gaan boven verkeerslichten.

Klaar om verder te oefenen?

Verkeerslichten lijken simpel, maar de examenvragen zitten in de details: geel, knipperlicht en afslaan bij groen. Oefen die situaties, zodat je ze op het examen meteen goed hebt.

Start gratis met theorie oefenen

Laatst bijgewerkt: 23 september 2026. Gecontroleerd aan de hand van artikel 14, 18 en 68 tot en met 75 en 84 van het RVV 1990. Geschreven door de redactie van Theorie Examen Oefenen.